VerbijsterendAdvies.nl
Persoonlijk maatwerk in verzekeringen en financiŽle diensten van De PensioenMakelaar & De HypothekenMakelaar
Kostenaftrek eigen woning na scheiding na afloop partnerregeling meestal nog slechts 50%

 

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur eerder te veel dan te weinig kosten en lasten van de eigen woning in aftrek heeft toegelaten.

 

Belanghebbende, X, is gehuwd in algehele gemeenschap van goederen met Y. Y dient in 2005 een verzoek tot echtscheiding in bij Rechtbank Arnhem. In 2006 is de echtscheiding uitgesproken. Pas in 2009 (?) is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. X trekt in zijn aangifte IB/PVV 2009 alle rente en lasten van de eigen woning (€ 7.967) af. De inspecteur weigert hiervan de aftrek van € 3.851. In hoger beroep is onder meer deze aftrek in geschil.

 

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur eerder te veel dan te weinig kosten en lasten van de eigen woning in aftrek heeft toegelaten. X en Y zijn in 2009 geen fiscaal partner. X en Y leven in 2009 niet duurzaam gescheiden, hoewel de echtscheiding al in 2006 is uitgesproken. De onverdeeldheid met betrekking tot de eigen woning  is niet geëindigd. X is daarmee voor 50% gerechtigd tot de eigen woning. De inspecteur had daarmee een kostenaftrek van zelfs 50% van € 7.967 = € 3.983 kunnen weigeren ipv slechts € 3.851 geweigerd.

 

Bron Uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

 DeHypothekenMakelaar.nl

 

Wetsartikelen:

 

Wet inkomstenbelasting 2001 3.120

ECLI:NL:GHARL:2015:2213

 

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak 24-03-2015

Datum publicatie 03-04-2015

Zaaknummer 14/00310

Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:999, Bekrachtiging/bevestiging

Rechtsgebieden Belastingrecht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie Inkomstenbelasting. Aftrek rente eigen woning. Aftrek kosten van levensonderhoud. Langlopende echtscheiding.

Vindplaatsen Rechtspraak.nl  FutD 2015-0867

 

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

Nummer 14/00310

uitspraakdatum: 24 maart 2015

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 februari 2014, nummer AWB 13/4378, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Nijmegen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.586 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.786. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 222.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 18 februari 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank bij brief van 28 maart 2014 hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2015 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede [A] namens de Inspecteur, bijgestaan door [B].

1.7

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende, geboren [in] 1942, is [in] 1977 in de gemeente [C] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [D], geboren [in] 1949 (hierna: de partner). Tot de huwelijksboedel behoorde de eigen woning, gelegen aan de [a-straat] 3 te [L] (hierna: de eigen woning). Belanghebbende en de vrouw hebben tot 26 maart 2014 op dit adres ingeschreven gestaan in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

2.2

De vrouw heeft in 2005 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Arnhem. Bij voorlopige voorzieningen is het gebruik van de eigen woning toegewezen aan de vrouw en is bepaald dat belanghebbende in het levensonderhoud van de vrouw moet voorzien en de woonlasten van de eigen woning voor zijn rekening moet nemen. De echtscheiding is [in] 2006 door de rechtbank Arnhem uitgesproken. De inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in het register van de burgerlijke stand is, na een verzoek van de vrouw, op last van de officier van justitie op 24 augustus 2006 weer doorgehaald. De vrouw heeft tegen de echtscheidingsbeschikking op 16 augustus 2006 hoger beroep ingesteld.

2.3

Belanghebbende ontving nadat hij vijfenzestig jaar werd een AOW-uitkering voor gehuwden met een partnertoeslag.

2.4

Voor de jaren tot en met 2008 heeft belanghebbende als gehuwde aangifte gedaan voor de IB/PVV.

2.5

Belanghebbende en de vrouw hebben op 8 december 2008 ten overstaan van notaris mr. [E] te [M] (hierna: de notaris) – onder meer – verklaard dat de echtscheiding niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, dat zij hun huwelijk niet wensen te ontbinden en dat zij de tussen hen bestaande wettelijke gemeenschap van goederen wensen op te heffen. De vrouw heeft de daartoe strekkende verklaring niet ondertekend. Door de notaris is op 8 december 2008 een conceptakte opgemaakt ter zake van een verdeling met huwelijkse voorwaarden. De weigering van de vrouw daaraan mee te werken is, blijkens een telefoonnotitie van belanghebbende, door de notaris met de vrouw besproken. Het verzoekschrift tot opheffing van de gemeenschap van goederen is door de notaris ingediend en op 5 januari 2009 bij de rechtbank Arnhem ingekomen waarna die rechtbank bij beschikking van 29 januari 2009 goedkeuring heeft verleend voor het aangaan van huwelijkse voorwaarden conform het door de notaris overgelegde ontwerp. De desbetreffende notariële akte “Verdeling met huwelijkse voorwaarden”, waarin belanghebbende en de vrouw tevens verklaren dat zij hun huwelijk niet wensen te ontbinden, is verleden op 28 april 2009. Ter zake van de eigen woning, een in Frankrijk gelegen tweede woning en – kort gezegd – de daarmee verband houdende geldleningen is in die akte opgenomen (onderdeel 2) dat tussen de echtgenoten een (beperkte) gemeenschap van goederen zal bestaan met verrekenbeding voor het geval de echtgenoten niet gelijkelijk in de kosten bijdragen.

2.6

Op 4 mei 2009 hebben belanghebbende en de vrouw alsnog de in 2.5 genoemde verklaring en volmacht ondertekend en heeft de vrouw verklaard onherroepelijke volmacht en opdracht te geven aan haar advocaat om alle procedures betreffende de echtscheiding in te trekken zodat daarmee alle voorlopige voorzieningen komen te vervallen en belanghebbende gerechtigd is om in de eigen woning te verblijven. Bij beschikking van 29 september 2009 van het gerechtshof Arnhem, sector civiel recht, heeft het gerechtshof overwogen dat de vrouw haar gronden voor het hoger beroep niet heeft gehandhaafd en is de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep.

2.7

[in] 2009 is de beschikking van de rechtbank Arnhem waarbij de echtscheiding tussen belanghebbende en de vrouw is uitgesproken, alsnog ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [C].

2.8

In elk geval vanaf 6 mei 2009 verbleef belanghebbende weer met de vrouw in de eigen woning welke samenwoning tot in 2014 voortduurde. Tot 2 september 2010 hanteerde belanghebbende volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens als postadres een postbusnummer in de gemeente [N]. Belanghebbende woont sinds 26 maart 2014 op het adres [b-straat] 8 te [Z], welk adres hij voordien eveneens gebruikte als postadres. Het betreft de woning van de overleden moeder van belanghebbende die leeg stond en die werd beheerd door de broer van belanghebbende.

2.9

Belanghebbende heeft met de vrouw de woning in Frankrijk van 22 tot en met 26 juli 2009 bezocht.

2.10

Belanghebbende heeft op 31 maart 2011 voor 2009 aangifte IB/PVV gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.024 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.786. De inkomsten uit voormalige arbeid bestaan uit een AOW-uitkering van € 17.944 (gehuwden met partnertoeslag) en een pensioen van het ABP van € 46.596. In de aangifte heeft belanghebbende als aftrekpost opgenomen het volledige door hem betaalde bedrag van € 7.967 aan rente en kosten van de eigen woning alsmede een bedrag van € 5.055 wegens aan de vrouw betaalde kosten voor levensonderhoud. De vragen naar een huisgenoot/echtgenoot, de gehuwdenstatus voor een deel van het jaar en het fiscaal partnerschap voor het gehele jaar, zijn door belanghebbende bevestigend beantwoord. Belanghebbende heeft voorts om toekenning van de alleenstaande ouderenkorting verzocht.

2.11

Ook de vrouw heeft voor 2009 aangifte IB/PVV gedaan, en wel op 28 april 2011. De vrouw heeft in haar aangifte een aftrek ter zake van rente en kosten van de eigen woning vermeld van € 3.851 alsmede, bij de rendementsgrondslag, de helft van de waarde van de woning in Frankrijk.

2.12

Belanghebbende noch de vrouw heeft het aangiftebiljet voor 2009 van de ander mede ondertekend ter bevestiging van de keuze van fiscaal partnerschap.

2.13

De Inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV van belanghebbende en de vrouw beide vastgesteld op 25 juli 2012. Daarbij is de aangifte van de vrouw gevolgd. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende vastgesteld op € 51.586, berekend als volgt:

Inkomen volgens de aangifte € 49.024

Bij: lagere aftrek kosten eigen woning € 3.851 +

Af: 50 percent huurwaardeforfait eigen woning € 1.289 -

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 51.586

In afwijking van de aangifte van belanghebbende heeft de Inspecteur een aftrek ter voorkoming van dubbele belastingen toegepast over een vermogen van € 160.000, de helft van de waarde van de woning in Frankrijk.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of belanghebbende het gehele bedrag aan betaalde rente en kosten met betrekking tot de eigen woning bij het berekenen van zijn inkomen uit werk en woning in aanmerking mag nemen. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord is in geschil of belanghebbende recht heeft op (een aanvullende) aftrek ter zake van betaalde kosten van levensonderhoud van de vrouw. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op de alleenstaande ouderenkorting. Voor de beantwoording van deze vragen is mede van belang of belanghebbende gedurende een relevant gedeelte van 2009 moet worden aangemerkt als duurzaam gescheiden levend van de vrouw.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en die van de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag.

3.4

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat belanghebbende voor het – naar het Hof begrijpt – gehele belastingjaar 2009 als gehuwd moet worden aangemerkt en dat belanghebbende en de vrouw op die grond moeten worden aangemerkt als (fiscaal) partner in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals die wet luidt voor het onderhavige jaar (hierna: de Wet).

4.2

Dit standpunt van de Inspecteur is naar het oordeel van het Hof niet juist. Bij beschikking van 24 mei 2006 is door de rechtbank Arnhem de echtscheiding uitgesproken tussen belanghebbende en de vrouw. De vrouw heeft daartegen op 16 augustus 2006 hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem van 29 september 2009 is de vrouw in haar hoger beroep, vanwege het intrekken van de gronden, niet-ontvankelijk verklaard waarna de echtscheidingsbeschikking [in] 2009 is ingeschreven in het register van de burgerlijke stand van de gemeente [C]. Laatstbedoelde inschrijving was tijdig (vergelijk Hoge Raad 22 oktober 2010, nr. 09/1017, ECLI:NL:HR:2010:BN1258, NJ 2010,667).

4.3

Hieruit volgt dat belanghebbende vanaf [..] november 2009 niet de echtgenoot was van de vrouw maar dat beiden, voor de toepassing van de bepalingen in de Wet, [een gedeelte van] 2009 ongehuwde meerderjarigen zijn. Ongehuwde meerderjarigen zijn, op grond van artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, juncto artikel 1.3 van de Wet, alleen dan elkaars (fiscaal) partner wanneer zij – onder meer – samen voor het kalenderjaar kiezen voor de kwalificatie als partner en die gezamenlijke keuze wordt gemaakt bij – onder meer – de aangifte. Op grond van artikel 2.17, zevende lid, van de Wet, wordt de belastingplichtige die gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft, geacht voor de toepassing van dat artikel die partner het gehele jaar te hebben gehad, indien hij daarvoor samen met die partner bij de aangifte kiest. Het staat vast dat belanghebbende en de vrouw geen van de hiervoor bedoelde gezamenlijke keuzen hebben gemaakt.

4.4

Op grond van artikel 2.17, vijfde lid, van de Wet, worden belastbare inkomsten uit eigen woning alleen dan tot de gezamenlijke inkomensbestanddelen gerekend indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft.

4.5

Voor dit geding staat vast dat belanghebbende in 2009 niet het gehele jaar dezelfde fiscale partner heeft gehad. De belastbare inkomsten uit de eigen woning zijn derhalve geen gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. In dat geval worden – samengevat weergegeven – de voordelen uit een eigen woning bij belanghebbende en de vrouw in aanmerking genomen naar de mate waarin zij tot de woning gerechtigd zijn (artikel 3.115 van de Wet).

4.6

Uit de vaststaande feiten en de stukken van het geding kan worden afgeleid dat belanghebbende en de vrouw in elk geval vanaf 6 mei tot en met 31 december 2009 in de eigen woning hebben gewoond en dat die samenwoning nog tot 26 maart 2014 heeft voortgeduurd. Gesteld noch gebleken is dat de onverdeeldheid die tussen belanghebbende en de vrouw bestond met betrekking tot de eigen woning na [..] november 2009 is geëindigd. Belanghebbende was dus voor de helft gerechtigd tot de woning. Hiervan uitgaande bedraagt het belastbare inkomen uit de eigen woning dat belanghebbende in 2009 in aanmerking kan nemen, veronderstellenderwijze ervan uitgaande dat ook van 1 januari tot 6 mei 2009 voor belanghebbende sprake was van een eigen woning, nooit meer dan:

Eigenwoningforfait € 2.578 x 50 percent = € 1.289

Aftrekbare rente € 7.967 x 50 percent = -/- € 3.983

Belastbare inkomsten uit eigen woning € 2.694

4.7

Belanghebbende heeft in zijn aangifte een belastbaar inkomen uit de eigen woning opgenomen van negatief € 5.389. De Inspecteur heeft daarop bij aanslagregeling een correctie aangebracht van, per saldo, € 2.562 zodat uiteindelijk een aftrek is verleend van € 2.827.

4.8

Uit het voorgaande volgt dat, voor zover het de belastbare inkomsten uit de eigen woning betreft, de Inspecteur de aanslag eerder te laag dan te hoog heeft vastgesteld.

4.9

Voor het geval de belastbare inkomsten uit de eigen woning niet volledig bij hem in aanmerking kunnen worden genomen heeft belanghebbende zich subsidiair op het standpunt gesteld dat hij de betaling van alle kosten die verband houden met de eigen woning, op grond van een rechterlijke beschikking in verband met de echtscheiding, voor zijn rekening heeft genomen en dat een gedeelte van de betalingen derhalve als voorziening in het levensonderhoud van de vrouw in aanmerking kan worden genomen. Het betreft de betalingen in de periode van 1 januari tot 6 mei 2009, gedurende welke periode hij duurzaam gescheiden van de vrouw leefde. Deze aftrek staat – aldus belanghebbende – los van de reeds in de aangifte opgenomen alimentatiebetalingen omdat die betalingen betrekking hebben op de overige kosten van levensonderhoud van de vrouw. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende bestreden op de grond dat in 2009 geen sprake is geweest van een situatie dat belanghebbende duurzaam gescheiden leefde van de vrouw. De, in de ogen van de Inspecteur vermeende, alimentatiebetalingen zijn ten onrechte in mindering op het belastbare inkomen uit werk en woning gebracht.

4.10

Partijen verschillen, terecht, niet van mening dat het in aanmerking nemen van de betalingen voor levensonderhoud als persoonsgebonden aftrek op grond van Hoofdstuk 6 van de Wet IB 2001 alleen dan mogelijk is indien belanghebbende en de vrouw van 1 januari tot 6 mei 2009 duurzaam gescheiden van elkaar leefden. De bewijslast rust in dezen op belanghebbende.

4.11

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het begrip duurzaam gescheiden leven in de Wet en in regelingen betreffende de sociale zekerheid aldus worden uitgelegd, dat hiervan slechts sprake is indien ieder van de echtgenoten afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door de echtgenoten, althans door een van hen, als bestendig is bedoeld (vergelijk Hoge Raad 11 juni 2010, nummer 09/03677, ECLI:NL:HR:2010:BL7267).

4.12

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, met al hetgeen hij naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk gemaakt dat hij in de hiervoor genoemde periode duurzaam gescheiden leefde van de vrouw. Hoewel de echtscheiding tussen belanghebbende en de vrouw is uitgesproken op 26 mei 2006 en de samenleving ook daarna regelmatig voor korte perioden werd verbroken is tot ultimo 2008, ook naar de mening van belanghebbende, van duurzaam gescheiden leven geen sprake geweest. Ook van 6 mei 2009 tot in 2014 is van duurzaam gescheiden leven geen sprake geweest hoewel de scheiding op [..] november 2009 definitief werd. Dit sluit op zichzelf niet uit dat belanghebbende in de periode van 1 januari tot 6 mei 2009 duurzaam gescheiden leefde van de vrouw. Belanghebbende maakt echter niet met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk dat de situatie in deze periode wezenlijk anders was dan in de jaren daarvoor en de jaren daarna. Concrete gegevens voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende afzonderlijk een eigen leven leidde als ware hij niet gehuwd heeft belanghebbende niet naar voren gebracht. Belanghebbende beschikte toen over een postadres, maar vragen van het Hof omtrent de feitelijke woonsituatie (sociale omgeving, doen van boodschappen/verrichten van pinbetalingen, kosten van verwarming en verlichting) heeft belanghebbende niet concreet beantwoord. Uit de stukken van het geding, en met name ook uit de verklaringen die belanghebbende heeft afgelegd bij de Inspecteur, blijkt dat belanghebbende zijn sociale contacten aanhield in de omgeving van de eigen woning. Daar komt bij dat belanghebbende noch de vrouw een melding naar de Sociale Verzekeringsbank deed dat zij duurzaam gescheiden leefden. Dit alles maakt dat niet aannemelijk is dat belanghebbende en de vrouw een eigen leven leidden als waren zij niet met elkaar gehuwd. Belanghebbende streefde niet naar een situatie van (duurzaam) gescheiden leven. Uit de stukken blijkt eerder het tegendeel. Ook uit de gedragingen van de vrouw leidt het Hof niet af dat – wat haar betreft – het leiden van een leven als ware zij niet gehuwd, zo daarvan al sprake was, als bestendig was bedoeld. Uit de stukken kan eerder worden afgeleid dat de vrouw, ook in de hier bedoelde periode, daarvan allerminst zeker is geweest door zeer frequent wisselende standpunten ter zake in te nemen. Een duidelijke, niet voor tweeërlei uitleg vatbare verklaring van de vrouw is, hoewel zulks voor de hand zou hebben gelegen en gelet op de feitelijke situatie na 6 mei 2009 naar het oordeel van het Hof ook zeker mogelijk moet zijn geweest, door belanghebbende niet overgelegd.

4.13

Uit hetgeen is overwogen in 4.9 tot en met 4.12 volgt dat, ook wat de persoonsgebonden aftrek in 2009 betreft, de aanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld.

4.14

Voor het antwoord op de vraag of belanghebbende in 2009 recht had op de alleenstaande ouderenkorting als bedoeld in artikel 8:18 van de Wet is niet doorslaggevend dat belanghebbende het gehele jaar een AOW-uitkering voor een gehuwde met partnertoeslag heeft genoten. Voor dat recht is niet vereist, zoals de Inspecteur kennelijk voorstaat, dat door de Sociale Verzekeringsbank een beslissing daaromtrent is genomen. Uit het vorenstaande (zie 4.9 tot en met 4.13) volgt echter eveneens dat belanghebbende op geen moment in 2009 recht heeft gehad op – kort gezegd – een AOW-uitkering voor alleenstaanden. Derhalve heeft de Inspecteur terecht, bij het vaststellen van de aanslag, de alleenstaande ouderenkorting niet toegepast.

4.15

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd doch in hoger beroep nader het standpunt ingenomen dat zijn grieven tegen de heffingsrente slechts voortvloeien uit de aangebrachte correcties op het belastbare inkomen en het niet verlenen van de alleenstaande ouderenkorting. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het hoger beroep ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 24 maart 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

 

(J.L.M. Egberts)

(J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op : 25 maart 2015.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

Laatste update: 14/04/2015 09:13.48