VerbijsterendAdvies.nl
Persoonlijk maatwerk in verzekeringen en financiŽle diensten van De PensioenMakelaar & De HypothekenMakelaar

Afwaarderingsverlies van de vordering op en de schuld aan de BV beoordeeld: verlies op vordering op eigen bv was slechts na verrekening met schuld aftrekbaar verlies in box 1.

Samenvatting

Hof Amsterdam heeft in een feitelijke procedure beslist dat het verlies op een rekening-courantvordering op de eigen bv een negatief resultaat uit een werkzaamheid (box 1 inkomen) vormde na saldering met een rekening-courantschuld aan die bv. Het hof was met Rechtbank Haarlem van oordeel dat de vordering en de schuld civielrechtelijk gelijkwaardig aan elkaar waren en door verrekening deels -tot het verrekende bedrag- teniet waren gegaan. Het afwaarderingsverlies kon in dit geval niet meer belopen dan het resterende saldo.

Volledig artikel

Hof Amsterdam heeft in een feitelijke procedure beslist dat het verlies op een rekening-courantvordering op de eigen bv een negatief resultaat uit een werkzaamheid (box 1 inkomen) vormde na saldering met een rekening-courantschuld aan die bv.
 
Sterk vereenvoudigd weergegeven betrof de procedure het volgende. Een man hield in 2007 30% van de aandelen in een bv en zijn echtgenote 70%. Het echtpaar had zowel een rekening-courantvordering op als een rekening-courantschuld aan deze bv. De rekening-courantvordering op de bv was ontstaan door stortingen in de bv en het door de bv schuldig blijven van de huur van een pand dat het echtpaar aan de bv ter beschikking had gesteld. De rekening-courantschuld was ontstaan door privéopnamen en betalingen door de bv van privébestedingen. Op 30 september 2007 bedroeg de vordering € 220.191 en de schuld € 184.455. Op 1 oktober 2007 werden de aandelen in de bv verkocht aan een derde voor € 1. De rekening-courantpositie werd ook voor € 1 verkocht aan de nieuwe eigenaar.
 
De man claimde in zijn belastingaangifte inkomstenbelasting over 2007 een negatief resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen van € 220.191 wegens afwaardering van zijn rekening-courantvordering op de bv tot nihil. Dit leidde per saldo tot een fors negatief box 1-inkomen. De inspecteur corrigeerde de belastingaangifte (onder meer) op de hoogte van het in aanmerking te nemen afwaarderingsverlies op de vordering op de bv. Zo stond de inspecteur slechts een negatief resultaat op de rekening-courantvordering toe tot een bedrag van € 35.736, dat wil zeggen na verrekening van de vordering met de rekening-courantschuld.
 
Het hof was met Rechtbank Haarlem van oordeel dat de vordering en de schuld civielrechtelijk gelijkwaardig aan elkaar waren en door verrekening tot het verrekende bedrag teniet zijn gegaan. Dit volgde uit de verkoopovereenkomst van de aandelen, waaruit bleek dat de rekening-courantvordering en de rekening-courantschuld met elkaar waren verrekend voordat de per saldo resterende schuld was overgedragen aan de koper van de aandelen voor € 1. De afwaardering kon aldus niet meer belopen dan het resterende saldo, zodat
ook het hof oordeelde dat de inspecteur het juiste bedrag aan afwaarderingsverlies in box 1 in aanmerking had genomen.
 
Opmerking

Op basis van de specifieke feiten en omstandigheden in deze zaak was sprake van een gesaldeerde rekening-courantpositie. In het algemeen blijft saldering van een (rekening-courant)vordering op de eigen bv met een (rekening-courant)schuld aan de bv wel achterwege. Zie onder meer ons nieuwsbericht  van 1 juni 2007.

Bron: pwc belastingnieuws 6 oktober 2012 / Hof Amsterdam, 20-9-2012, nr. 11/00900 (gepubliceerd 3-10-2012).

VerbijsterendAdvies.nlGeen spiegelbeeldsituatie bij lenen aan en lenen van eigen bv

1 juni 2007

Samenvatting

Een aanmerkelijk-belanghouder die geld leent aan of van zijn bv heeft te maken met twee verschillende inkomensboxen. Bij geld lenen aan de bv, waarbij de bv de gelden aanwendt voor ondernemingsdoeleinden, is de zogeheten terbeschikkingsstellingsregeling van box 1 toepassing. De rente op de geldlening wordt in deze box progressief belast. Bij geld lenen van de bv, zijn de regels van box 3 (30% belasting over 4% forfaitair rendement) van toepassing. Hof Den Haag heeft onlangs geoordeeld dat de wetgever op dit punt een ruime beoordelingsvrijheid toekomt en dat de wetgever die vrijheid niet heeft overschreden. De wetgever heeft willen voorkomen dat een aanmerkelijk-belanghouder met zijn gelieerde bv de belastingheffing al te zeer naar zijn hand kan zetten. Voorts heeft de wetgever de parallel tussen ondernemers, die hun onderneming voor eigen rekening drijven en ondernemers die hebben gekozen voor de bv, willen versterken. In de onderhavige procedure kon een directeur-grootaandeelhouder de aan zijn bv betaalde rente niet in mindering brengen op het box 1-inkomen, maar viel de geldlening van zijn bv in box 3.

Volledig artikel

Een aanmerkelijk-belanghouder die geld leent aan of van zijn bv heeft te maken met verschillende inkomensboxen. Bij geld lenen aan de bv is de zogeheten terbeschikkingsstellingsregeling van box 1 toepassing. De rente op de geldlening wordt in deze box progressief belast. Bij geld lenen van de bv, zijn de regels van box 3 (30% belasting over 4% forfaitair rendement) van toepassing.
 
In een hoger beroepsprocedure voor Hof Den Haag kwam de vraag aan de orde of deze asymmetrie in belastingheffing leidt tot schending van het gelijkheidsbeginsel van het Internationaal verdrag voor de bescherming van burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
 
De procedure betrof een directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga), die geld had geleend van zijn bv om daarmee te beleggen in aandelen. Op 1 januari 2002 bedroeg de geldlening ca € 2,2 mln en op 31 december 2002 ca € 2,6 mln. De bv had in 2002 de dga € 74.667 aan rente in rekening gebracht. De dga had in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2002 zowel de beleggingen als de geldlening tot zijn box 3-vermogen gerekend. Na bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting stelde de dga zich op het standpunt, dat de rente in mindering moest komen op het box 1-inkomen indien en voor zover de geldlening in box 1 onder het ‘resultaat uit overige werkzaamheden’ zou worden opgenomen. Kennelijk had de dga in bezwaar de geldlening overgebracht naar zijn box 1-inkomen. De dga was voorts van mening dat, indien de Nederlandse belastingwetgeving dit niet toestaat, dit zou leiden tot bovengenoemde schending van het gelijkheidsbeginsel. De inspecteur weigerde evenwel de renteaftrek.
 
Hof Den Haag stelde voorop dat het IVBPR en het EVRM niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd, omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van de verdragsartikelen uit de IVBPR en EVRM gevallen als gelijk moeten worden beschouwd. Het hof overwoog daarbij dat het oordeel van de wetgever moet worden geëerbiedigd, tenzij dat van redelijke grond is ontbloot.

Uit de wetsgeschiedenis van de terbeschikkingsstellingsregeling maakte het hof op dat de wetgever heeft willen voorkomen dat een aanmerkelijk-belanghouder met zijn gelieerde bv de belastingheffing al te zeer naar zijn hand kan zetten, door relatief hoog belast winstinkomen uit box 1 om te zetten in lager belast inkomen in box 3. Voorts heeft de wetgever de parallel willen versterken tussen ondernemers die hun onderneming voor eigen rekening drijven en ondernemers die hebben gekozen voor de bv.
 
Naar het oordeel van het hof is de positie van een dga die geld leent van zijn bv om daarmee te beleggen niet gelijk te stellen aan de positie van een dga die geld leent aan zijn bv voor ondernemingsdoeleinden. Voorts zou, indien in onderhavige situatie de parallel wordt doorgetrokken met de ondernemer die voor eigen risico een onderneming drijft, de geldmiddelen geacht moeten worden aan het ondernemingsvermogen te zijn onttrokken (waardoor de geldmiddelen in box 3 vallen). In dat geval onderscheidt de dga zich niet van de particulier die zijn vermogen aanwendt voor belegging.
 
Het hof kwam tot het oordeel dat de wetgever -door voor onderhavige situatie geen uitzondering te maken op de terbeschikkingstellingsregeling- de beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden.
 
Opmerking
Op
29 mei jongstleden hebben we bericht over een andere vermeende ongelijkheid in de terbeschikkingstellingsregeling. In de betreffende procedure voor Hof Amsterdam claimden een directeur-grootaandeelhouder en zijn echtgenote dat vermogensbestanddelen, die zij aan hun bv ter beschikking hadden gesteld, in box 3 belast moesten worde n (en dat de daaruit voortvloeiende inkomsten dus niet in box 1 tegen het progressieve tarief belast moesten worden). De overwegingen van Hof Amsterdam en Hof Den Haag om tot hun beslissing te komen, zijn vrijwel identiek.

Bron: Hof Den Haag, 3-4-2007, nr. 06/00124 (gepubliceerd 15-5-2007).

 

 



Laatste update: 06/10/2012 13:16.41