VerbijsterendAdvies.nl
Persoonlijk maatwerk in verzekeringen en financiŽle diensten van De PensioenMakelaar & De HypothekenMakelaar

Beroep op dwaling vereist goede onderbouwing

Samenvatting

Voor een geslaagd beroep op dwaling om bijvoorbeeld een niet-beoogde belastingheffing als gevolg van een bepaalde overeenkomst ongedaan te maken, is een goede onderbouwing van dat beroep nodig. Dat blijkt uit een recente uitspraak van Hof Arnhem na verwijzing van de Hoge Raad. Een beroep op dwaling kan pas slagen als -kort gezegd- de overeenkomst niet zou hebben plaatsgevonden bij een juiste voorstelling van zaken en dat contractspartijen door dwaling die overeenkomst zijn aangegaan. Het hof was van oordeel dat partijen in de onderhavige procedure niet hadden gedwaald over de fiscale rechtsgevolgen van de verkoop van een bedrijfspand buiten een fiscale eenheid. Wat essentieel was, was dat de fiscale eenheid tussen partijen niet tijdig was aangevraagd. Ook het beroep op dwaling over de termijn waarop een fiscale eenheid moest zijn aangevraagd, slaagde niet wegens gebrek aan bewijs. Het hof vond het ook niet aannemelijk dat partijen hadden gedwaald over de werking van de levering onder opschortende voorwaarde. Partijen hadden op het moment van het sluiten van de verkoopovereenkomst namelijk nog drie maanden de tijd om de benodigde stappen (de vorming van een fiscale eenheid) te nemen.

Volledig artikel

Voor een geslaagd beroep op dwaling om bijvoorbeeld een niet-beoogde belastingheffing als gevolg van een bepaalde overeenkomst ongedaan te maken, is een goede onderbouwing van dat beroep nodig. Dat blijkt uit een recente uitspraak van Hof Arnhem na verwijzing van de Hoge Raad. Een beroep op dwaling kan pas slagen als -kort gezegd- de overeenkomst niet zou hebben plaatsgevonden bij een juiste voorstelling van zaken terwijl contractspartijen juist door die dwaling die overeenkomst toch zijn aangegaan.
 
De procedure betrof -vereenvoudigd weergegeven- een bedrijfsopvolging en een reorganisatie tussen enkele vennootschappen. Een vader wilde eind 2003 zijn garagebedrijf aan zijn zoon overdragen. Daartoe verkocht hij op 12 december 2003 alle aandelen in de bv met daarin het garagebedrijf aan een vennootschap van zijn zoon. Op dezelfde dag verkocht de bv een bedrijfspand met daarin een stille reserve aan haar nieuwe moedervennootschap. De bv en de moedervennootschap verkeerden in de veronderstelling dat op de verkoopdatum van het pand sprake was van een fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting tussen de vennootschappen. Door een misverstand was een verzoek om een fiscale eenheid echter niet ingediend. Het misverstand werd in maart 2004 ontdekt. Het verzoek om een fiscale eenheid werd direct daarna ingediend en kreeg terugwerkende kracht tot 2 januari 2004. In september 2004 had een notaris een akte van rectificatie opgesteld waarbij uitdrukkelijk was aangegeven dat het de bedoeling van partijen was geweest om de
levering van het bedrijfspand binnen fiscale eenheid te doen plaatsvinden.
 
De inspecteur betrok de boekwinst op het bedrijfspand in de winst van de bv over 2003. De bv en de (latere) moedermaatschappij stelden dat de economische eigendom van het bedrijfspand (dat wil zeggen het volledige risico van waardeveranderingen en het tenietgaan daarvan) gedurende de periode van 12 december 2003 tot 2 januari 2004 bij de bv was gebleven en deze pas na de vorming van de fiscale eenheid op de moedermaatschappij was overgegaan. Ook beriepen de bv en de (latere) moedermaatschappij zich op dwaling.
 
Hof Arnhem was op basis van feiten van oordeel dat de bv het niet aannemelijk had gemaakt dat de economische eigendom van het bedrijfspand tot 2 januari 2004 bij de bv was gebleven.

Ook het beroep op dwaling haalde het niet. Het hof was van oordeel dat partijen in de onderhavige procedure niet konden hebben gedwaald over de fiscale rechtsgevolgen van de verkoop van een bedrijfspand buiten een fiscale eenheid. De bv en de moedermaatschappij hadden namelijk ter zitting erkend dat zij daarmee bekend waren.

 
Ook het beroep op dwaling over de termijn waarop een fiscale eenheid moest zijn aangevraagd, slaagde niet wegens gebrek aan bewijs. Het hof vond het ook niet aannemelijk dat partijen hadden gedwaald over de werking van de levering onder opschortende voorwaarde. Partijen hadden op het moment van het sluiten van de verkoopovereenkomst namelijk nog drie maanden de tijd om de benodigde stappen (de vorming van een fiscale eenheid) te nemen.
 
Opmerking

Voor een succesvol beroep op dwaling moet de oorspronkelijke situatie van vóór de verkrijging worden hersteld. Daartoe dienen de nodige civielrechtelijke (en eventuele fiscale) stappen te worden gezet. Zie hiervoor onder meer onze nieuwsberichten van 17 juli 2002 en 19 juni 2009.

Bron: PWC 24 mei 2012 /  Hof Arnhem, 8-5-2012, nr. 11/00739 (gepubliceerd 22-5-2012).

VerbijsterendAdvies.nl

 



Laatste update: 25/05/2012 10:41.02